Verhalen

Joapies jeugd

Joapies jeugdJoapies jeugd

Jacob Stubbe werd op 17 augustus 1919 geboren in Wedde. Hij heeft gewoond in de provincies Groningen
en Drente en het grootste deel van zijn leven gewerkt bij verschillende scheepswerven. Wat er verder gebeurde
in zijn leven, vaak opgete- kend in grappige anecdotes met een verbluffend gevoel voor detail, kunt u lezen in
 “Joapie’s Jeugd”.
Dit levenswerk wat hij na zijn 85ste jaar nog eens op zijn eerste compu- ter geschreven heeft tekent zijn flexibiliteit
en meegaan met zijn tijd.
Zijn geheugen is wonderbaarlijk en maakt dit document tot zo’n kostbaar bezit.
Wij kinderen en kleinkinderen zijn trots op zo’n opa.

1925---1931                                                                            

Periode--Oterdum.

Het was op een mooie voorjaarsdag in april, dat wij met ons gezin uit de polder vertrokken. We kwamen tegen een uur of 10 met ons “hutje” en “mutje” in Oterdum aan. De chauffeur moest even vragen in welke buurt we moesten zijn. Nou we kwamen even buiten het dorp terecht, daar stond een boerderij van Ebbert van der Linde. Daar naast stond een schuur, helemaal zwart van buiten. Later hoorde Moeke, dat er paarden in hadden gestaan. De meubels werden uitgeladen en in de schuur gebracht. Boer v.d. Linde kwam kijken met zijn schoonzoon, Willem  Perdok. Wij stonden daar met elkaar voor de schuur, zo beteuterd en ongelovig te kijken. Opeens begon Moeke te huilen. “Oh Derk, woar hest mie nou henbroagt? Zit ja gain koamer in en gain beire om te sloapen.” “Stil maar  vrouw Stubbe” zei v.d. Linde, we hebben al hout opgehaald en we gaan voor jullie daar een mooie kamer met bedsteden timmeren. Nou toen werd Moeke wat rustiger. De schuur was 20 meter lang en 6 meter breed en ook heel donker van binnen, hij was met  Carboleum bestreken, de vloer was van leem en bobbelig. De mannen gingen aan de slag, Pa hielp ook mee. s'Avonds hadden ze een kamer afgetimmerd van 6 bij 5 meter met 2 bedsteden en een klein keukentje. Wij mochten zolang in de schuur spelen en Moeke was bij vrouw v.d. Linde. Toen het timmerwerk klaar was, hebben we met elkaar de spullen op hun plaats gezet de strozakken gevuld en in de bedsteden gelegd. In haar kleine keukentje kon Moeke wat eten klaar maken en tegen 8 uur zaten we om onze nieuwe tafel te eten. In één van de wanden van de schuur hadden de mannen ook nog twee ramen gemaakt waar nog een beetje daglicht doorkwam.                                                           

Maandag komen er 20 polder werkers, zei Pa en die moeten hier slapen en eten, dus we moeten nog stro op de vloer leggen. Nou dat stro had  boer v.d. Linde wel in zijn schuur liggen, dus dat was zo gebeurt. De mannen moesten hun eigen dekens meenemen. We hadden een soort kookpot uit de polder meegenomen en die werd buiten opgesteld, daar kon Moeke wel voor 20 mensen eten in koken. Willem Perdok timmerde nog gauw een Tuzie (wc) in elkaar. Alles was zover klaar, om de poldermannen te ontvangen en wij konden lekker gaan slapen.

Maandag ging Moeke Albert naar school brengen, omdat het zijn eerste keer was  op een nieuwe school. Jij gaat ook mee, zei Moeke, tegen mij, dan gaan we aan meester vragen wanneer je mag komen. Het was een kwartiertje lopen. Moeke stapte naar de meester om Albert voor te stellen en vroeg meteen wanneer Ik kon komen. “Heeft hij een pokkenbriefje?” Vroeg de meester, “nee maar hij is wel ingeënt, maar ze willen niet opkomen. Nou dan moet u het nog maar een keer proberen. Zonder pokkenbriefje mogen we hem niet op school toelaten. Ik ben later nog een keer ingeënt en toen kwam er één pokken op. Nou zei dokter Botjes, “als ze toch niet opkomen, is hij ook niet  vatbaar voor deze ziekte.” Meester Dik nam daar genoegen mee.

In mei 1926 ging Ik voor het eerst naar school, toen was Ik bijna 7 jaar.                                                                                                              Omdat het mijn eerste schooldag was, ging Moeke mij brengen, er waren trouwens meer Moekes die hun kroost afleverden. Ik vond juf Zijlsta direct een aardige juffrouw, ze zette mij op de voorste bank. We kregen allemaal een lei en een griffel om mee te schrijven. Nou dat schrijven bestond dan uit verticale streepjes trekken tussen twee lijnen en als het bord vol was, moesten we met een spons alles weer uit wissen. Toen ging Juf voor lezen en daarna zingen met de tweede en derde klas samen. Het was een twee mans school. Meester Dik had de  4-5 en 6-7 klas. In het speel kwartier waren alle klassen op het schoolplein en daar deden we dan wat spelletjes of de meisjes een beetje plagen. Ik vond het op school al die jaren prettig en leuk. 

De omgeving van de schuur waarin wij woonden

Als je de deur uitging, dan kwam  je op een open ruimte van 20 bij 80 meter, zwarte centers, waar middenin een mestbult stond. Van der Linde had 4 koeien, 2 varkens en 20 schapen die liepen naast de boerderij in het land. Aan de andere kant van die ruimte stond nog een arbeiders huisje, bewoont door de familie Wildeboer. Rechts waren volkstuintjes en aan de linkerkant een vijver waar de eenden in zwommen. Wij noemden het de gracht. Dan was er nog de boeren schuur naast ons, waar wij mochten spelen als het regende, daar vermaakten wij ons dan best.  Albert is maar 1 jaar op school geweest in Oterdum. Hij was 12 jaar toen kon hij aan het werk gaan als jongste knecht bij een boer in Oterdummer warven, 1 uur lopen. Voor 80 gulden per jaar en kost en inwoning + een overall. Vanaf mijn derde jaar heb Ik met Albert opgetrokken en kwajongens streken uitgehaald, en nu ging hij zomaar ineens uit huis. In het begin kwam hij s'zondags nog wel eens thuis, maar bleef steeds vaker op de boerderij.

Oterdum was een dorpje van nog geen 300 inwoners. Onze school stond aan de dijk, de kerk en toren ook. Er waren 2 café's en een smederij, twee bakkers, een schoenmaker en een schilders bedrijf en twee kleine winkeltjes waar je boodschappen kon doen. En dan was er de zaak van Hendrik Mulder, hij was timmerman, kuiper, repareerde fietsen en had ook nieuwe te koop. Als er iemand in het dorp overleden was, maakte hij ook de kist klaar. Als onze klomp was gescheurd zette hij er een draadje over, dat koste ons niets, maar we moesten dan wel even de werkplaats aanvegen. Hij knipte onze haren ook en dat koste 5 cent. Een echte klusjesman en een goede vakman. Er was nog een stoomgemaal, die had zijn uitlaatpijp buiten het gebouw en die werd gloeiend heet als de motor draaide. Als we dan natte voeten hadden gekregen met slootje springen, gingen wij ze daar drogen, dan wist Moeke er niks van. Maar soms rook ze wel eens aan de sokken, “zo heb je weer natte voeten gehad en je sokken weer laten verbranden aan de pijp, als het weer gebeurt mag je na school niet weer buiten spelen,een week lang niet” Nou dan waren we de eerste tijd wel even voorzichtig, maar het ging zo mooi.                    

Rondom het dorp stonden zes grote boerderijen, waar wij als jeugd ook veel kwamen, later meer daarover.                                             

Dan was er nog een streek, ongeveer 3 km buiten het dorp, dat werd Oterdummerwarven genoemd. Vier grote boerdeijen en ongeveer 15 arbeiders huisjes. Waarom beschrijf Ik dit zo uitgebreid? Omdat Ik in dit gebied mijn kind- en jongens jaren, met veel plezier heb mogen  beleven. Ik ga nu verder met mijn belevenissen.

Schoolfeest.                                                                                         

In mei was Ik op school gekomen, toen een paar weken later Juf  bekent maakte, dat er in augustus een schoolfeest werd gehouden. We moesten een paar mooie liedjes leren, nou dat vond Ik prachtig, want zingen vond Ik altijd heel gezellig. 14 dagen voor het feest was het al een gezellige drukte in het dorp. Bij café Lanting moest ruimte gemaakt worden want er zou een draaimolen komen, maar dan moest er eerst een grote mestbult weggemaakt worden. Er waren vele vrijwilligers zodat het karwei in een dag was gebeurt. De school werd versiert met dennengroen en er werd een mooie poort aan het begin van het dorp gebouwd. Twee dagen tevoren kwam de draaimolen, nou dat was nooit eerder gebeurt in Oterdum, een hele drukte. Zaterdag was dan de dag van het feest omdat de meeste mensen bij een boer werkten. Wat de boeren beslisten, dat gebeurde nu eenmaal,  ze deden ook de grootste financiële bijdrage. We gingen s'morgens in onze beste pakjes en jurkjes naar school om wat spelletjes te doen, chocolade te drinken en liedjes te zingen. Om 1 uur begon de optocht. Er waren drie versierde boeren wagens met een paar forse Belgen er voor, pluim op t'hoofd en bloemen in de staart. En op die wagens gingen wij dan mee want het was een heel eind lopen. Dan waren er nog 16 verklede jonge mannen, ieder op een paard, Cowboys, Indianen en Zigeuners, met elkaar een hele sliert. Er was geen muziek korps, daarom zongen wij kinderen uit volle borst onze liedjes. Na de optocht mochten we in de draai molen, in groepen. Er was een snoepkraam, ijsco kar, koekhappen en een kop van jut. We gingen nog een keer naar de school om wat te drinken en om een grote foto te maken tegen de dijk aan. s'Avonds werd de draai molen omgebouwd in een zweefmolen, dan konden de vaders en moeders ook nog even genieten. Er werd natuurlijk ook een borreltje gedronken in café Lanting want die moest ook een paar centjes verdienen.           Onze Pa had nog nooit een ijsco geproefd. Hij naar de ijswagen, geef mij maar één van een dubbeltje, zei hij, nou dat was een grote met een kop er op. Pa nam een flinke hap---gadver---wat is dat ja koud en smeet de ijsco zo op straat. Ik eet nooit geen ijs weer, neem liever een pruimpje tabak.

Omdat wij buiten het dorp woonden, 10 tot 15 minuten lopen, kwamen er niet veel kinderen bij ons om te spelen. Op school naast mij in de bank, zat Jannes Ooserhuis, een leuke knul, praatte maar aan één stuk door. Koentje knor was zijn bijnaam, want hij zat vaak te knorren, net een varken. Jannes ging vaak met mij naar huis (schuur), om te spelen. Ik vind het zo mooi bij jullie in de schuur, zei hij, al die bedden op de grond, hij bedoelde de slaapplaatsen van de polder mensen. Op de grote mestbult lag een brede plank, waar de kruiwagen over reed.  Als v.d. Linde klaar was met mest kruien, deed hij de kruiwagen onderste boven op de plank, dat was dan onze auto en dan waren wij om de beurt chauffeur. We zaten dan aan dat wiel te draaien en gingen overal naar toe, Delfzijl, Winschoten, Duitsland. Met onze jongens fantasie hebben we heel wat afgereisd.  Als de mannen dan tegen 6 uur terug kwamen om zich te wassen en te eten, moest Moeke Jannes naar zijn eigen huis sturen, ik wil hier wel slapen zei hij dan, maar dat kon natuurlijk niet.

Toen op een dag in oktober, Ik wilde naar school, zei Moeke tegen mij, Dina gaat vandaag bij buurvrouw v.d. Linde logeren. Als jij vanmiddag uit school komt, ga je ook naar vrouw v.d. Linde en daar gaan jullie ook eten. Vanmiddag ben je vrij van school en kun je mooi de hele middag in de schuur spelen. Nou dat vonden Dina en Ik wel leuk, een hele dag uit logeren, misschien mag je er ook wel slapen. We hebben ons die dag dan ook best vermaakt en het was dan ook avond voor we er erg in hadden. We kregen nog een lekkere boterham met kaas en melk, het was gewoon een feestdag voor ons. Tegen 7 uur kwam Pa aan de deur om ons op te halen, “het is niet nodig dat de kinderen hier blijven slapen, buurvrouw, klein wichtje is vanmiddag gekomen.” We keken Pa aan, “ja, zei hij, de ooievaar heeft jullie een  zusje gebracht, kom maar mee, dan kun je het zien en dan gauw naar bed.” Moeke moet een paar dagen in bed blijven, want de ooievaar heeft haar in het been geprikt. (Dat was toen het praatje van de ouders, tegen de kleinste van de kinderen) Nou wij gauw naar Moeke om ons zusje te bekijken, ze lag lekker te slapen in een klein ledikant, die Pa had gemaakt. Nou wat zeg je ervan, zei Moeke, ze is wel erg klein, zei Dina. Morgen komt vrouw Oosterhuis hier om te helpen, zolang ik in bed moet blijven. Dus Dina kan hier gewoon thuis blijven spelen en jij komt van school ook gewoon thuis, zei Moeke. Zo was ons gezin weer uit gebreid met zuster Annie.

Een paar maanden later gingen de polder mensen allemaal weg. Er was een andere keet gebouwd vlak bij het dorp, met een ander gezin, die voor de mannen ging zorgen. Moeke kon het niet langer meer doen, ze moest het wat rustiger aandoen. Die ruimte in de schuur, waar de mannen sliepen en aten, was nu vrij gekomen. Als het eens een regenachtige dag was, mochten we daar spelen. Nou buurman v.d. Linde had er wel belang bij, dat wij als gezin de schuur bleven bewonen, (de huur) , dus werd er een beetje aan opgeknapt, maar het bleef een oude paarden schuur. Hij maakte een wip–wap en een schommel voor ons. Er kwamen nu ook meer vriendjes bij mij te spelen. Soms was het voor Moeke te druk, nou moeten jullie maar naar buiten gaan spelen, zei ze dan tegen ons. Albert was al een jaar bij boer v.d. Molen als jongste knecht geweest. Hij kwam een keer op Sinterklaas avond naar huis. Hij moest zijn klomp opzetten bij de boer en de volgende morgen lag er een pakje in. Een mooie staande stoommachine en die wilde hij ons laten zien. Hij deed wat water in de stoomketel, een bakje met wat spiritus er onder en na een poosje begon de machine te draaien. Machinist Albert was er wat trots op. Wij hadden ook een klomp opgezet. Dina kreeg een popje met kleren aan en Ik een aapje die je aan een touwtje op kon trekken. We kregen ook nog wat snoep en pepernoten.                                                                                                

Ondertussen was Ik 8 jaar geworden en was in de tweede klas gekomen. Dina ging s'morgens met mij mee naar school in de eerste klas, waar ze algauw vriendinnetjes kreeg.                                             

We hadden ook een pastorie in het dorp, waarin een jonge dominees gezin woonde. Eén keer per week was er een bijeenkomst voor jonge kinderen. Er werd daar gezongen en voorgelezen (uit de Bijbel) en spelletjes gedaan. Een poos later kwam er ook nog een Zondagschool bij, maar daar moesten we een cent voor betalen. Moeke zei dat we daar wel naar toe mochten en wij vonden het wel leuk.                                                                             Toen op een dag midden in de week, moesten de kinderen van de Zondagschool, naar de pastorie komen, een verrassing, de vrouw van de dominee was jarig, we kregen allemaal een glaasje limonade en een gebakje, wat een feest voor ons. Het was mijn eerste gebakje en limonade in mijn jonge leven, dat Ik geproefd had. Met de kerst dagen hadden we kerstfeest in de kerk. Een grote kerstboom en heel lekkere chocolade en een klein cadeautje. Er werd heel veel gedaan om die kleine kinderzieltjes te winnen,maar dat beseften we toen nog niet. We hadden feest en we waren blij.                                                                 

Pa en Moeke hadden een heel mooi tweedehands ouderwetse kinderwagen gekocht, buiten om gevlochten pitriet een grote kap van linnen en heel grote wielen, er zat een voeten bankje in, die opgeklapt kon worden. Annie kon al een beetje zitten. We gingen om beurten een poosje met haar wandelen. Toen op een dag, het was Dina haar beurt maar ze had er niet veel zin in en liep maar steeds rond om de mest bult en mopperde. Rotmeid dit en rotmeid dat en op eens ging ze met de kinderwagen naar de eenden vijver en schoof de kinderwagen pardoes het water in. Nou, Annie brullen, maar de kinderwagen bleef ook nog drijven. De eenden kwamen nieuwsgierig dichter bij, jammer dat daar geen foto's van genomen zijn. Buurman v.d.  Linde kwam met een lange haak aangelopen en trok de wagen weer aan de kant en zette het hele geval op het droge. Breng haar maar gauw naar je Moeke, die zal wel blij met je zijn, nou ze kreeg een flink pak voor de broek.                                                                                  

Bij de pastorie was ook een grote vijver, die “Domie's gracht” werd genoemd. In de winter konden we daar gaan schaatsen, wie tenminste schaatsen had en anders deden we  slisteren, priksleetjes of hardlopen op klompen. De vaders of moeders moesten de kinderen altijd van het ijs halen, wij zelf konden we niet ophouden. Als er dan ook nog sneeuw was gevallen, gingen we sneeuw poppen en hutten bouwen.                                     

In de winter als de koeien op stal stonden, mocht Ik v.d. Linde altijd  helpen met voeren, hij had een grote kist in de zij muur van de stal gemaakt en daar zaten voeder koeken en mais en meel in. Dat vond Ik altijd zo lekker ruiken, er moesten rode voeder bieten gesneden worden, daar had hij een molen voor, met een groot wiel er aan, die Ik dan moest draaien. Melken heb Ik ook geprobeerd, daar ben je nog te klein voor, zei v.d. Linde, eerst meer roggebrood eten.                         

De dijk  bij  Oterdum was klaar. Pa moest ander werk hebben,het was  oktober 1928, Annie was 2 jaar. Pa kon door bemiddeling van Koen Oosterhuis, de vader van Jannes, op de dorsmachine komen als pakjesdrager ( strobalen) en het mooiste is ,zei Pa, we kunnen een huis huren in het dorp, een echt stenen huis. Nou Moeke was er zo blij mee, een stenen huis, zei ze en dan met andere vrouwen praten. Ze fleurde er helemaal van op. Moeke ging direct naar boer v.d. Linde, om te zeggen, dat wij met 2 weken weg gingen. Nou die was er helemaal niet blij mee, hij had wel in de gaten, als de schuur leeg was, dan kreeg hij er geen andere huurders weer in. Ik wil er nog wel meer aan vertimmeren, een slaapkamer er bij, of de keuken groter, zei hij, maar Moeke zei, je kunt er nooit een stenen huis van maken en daar bleef het bij. Toen er drie weken voorbij waren, gingen we naar het dorp verhuizen. Zo eindigde onze woon periode in houten keten en houten schuren.

Het huis waar wij in woonden, zaten drie gezinnen. Familie Oosterhuis met vier kinderen, Opa en Opoe Bos. Die twee gezinnen zaten aan de dorps weg en ons huis stond er achter tegenaan gebouwd. De indeling van ons huis was: een kamer met twee bedsteden, drie grote ramen,een schoorsteen mantel voor de kachel. Door een smalle gang kwam je uit in een bijkeuken en dan was er nog een heel lange ruimte naast, die noemden we “deTórfhórn.” Daar kwamen de baggels en lange turven in. Achter ons huis stond een  houten wc met een grote emmer er onder, die Pa, als hij vol was, leeg bracht, op een mestbult, die ook achter ons huis was. Opa Bos had een regen bak bij zijn huis, waar alle drie gezinnen water uit konden putten. Wij hadden ook een grote zolder, als het regende ging Ik daar vaak op spelen. Nu mijn zusje Annie 2 jaar was geworden, wilde ze niet meer in de kinderwagen, Moeke wilde de wagen weg doen, maar Ik vroeg, of Ik de wagen mocht hebben, dat was goed. Jannes en Ik hebben de boven bouw er af gesloopt en van het onder stel hadden we een mooie karretje. Met één knie op de achterste as en met de andere voet afzetten ging Ik met een rotgang door het dorp.                            Toen Ik 9 jaar was, zat Ik bij  Meester Dik in de klas, de vierde. En toen moest Ik een keuze maken. We hadden 1 uur in de week les van een dominee, bijbellezen, de kinderen die daar niet naar toe wilden, moesten sommen maken. Nou Ik mocht graag rekenen en bijbel lezen vond Ik niet mooi .

Ons huis lag aan het schoolplein van onze school, er zat een ijzeren hek tussen en toen Ik, op een keer longontsteking kreeg en van de dokter zes weken op bed moest blijven, kon Ik de andere kinderen zien spelen, wat een mooie afleiding voor mij was. Na die zes weken was Ik erg slap in de benen geworden.                                                                            

Wij waren met een groepje jongens van mijn leeftijd vaak bij elkaar na schooltijd en gingen dan naar een ruig stuk land, dat tussen de twee dijken in lag, de waker en de slaper. We hadden er een voetbalveldje gemaakt, met twee doelen van ruiter stokken, een bal, ook zelf gemaakt van oude kranten met daarom heen elastiekjes van een oude fietsband. Die kon het net 2 uur volhouden en dan maakten we weer een nieuwe. Er waren daar ook veel sloten, waar je lekker over kon springen, of er in, dan moesten we onze natte sokken weer droog stomen aan de uitlaat pijp van het stoomgemaal. Maar ons aller mooiste speel plek was achter de dijk en in de zomer maanden waren we daar dan ook de meeste vrije uren na schooltijd. Als het eb was, dat is laag water, dan was er zo'n duizend meter slik tot de waterlijn. In dat slik gingen we dan in ons nakie spelen we smeerden ons lekker in en lieten dat opdrogen in de zon. Dan hadden we een stok met op het eind een spijker, waar we scharretjes mee gingen prikken, die zaten een beetje onder het slik verborgen. Soms hadden we wel een paar kilo vis en als dan, na een paar uur het water kwam opzetten, gingen we ons lekker afspoelen en zwemmen. Maar de meeste jongens konden niet zwemmen, want onze ouders wilden niet dat wij in zee gingen zwemmen. Aan de binnen kant van de dijk, was ook een brede sloot, maar daar zat veel kroos in en als we dan thuis kwamen, zei Moeke dat we zo stonken. Toen zeiden onze Moekes dat we dan maar buiten de dijk moesten gaan zwemmen, dat is toch wel schoner. We gingen ook vaak, als het laag water was, kinkhoorns zoeken (aliekruiken) om die op een vuurtje  gaar te koken en op te eten. Dan waren er vissers, die er botfoeken hadden staan, allemaal twijgjes of hele dunne takjes die ze dan zo'n tien centimeter uit elkaar in het slik staken in een V vorm en op het einde van die poten zat dan een Foek waar de vis in zwom en er niet weer uit kon. Om bij die netten te komen, hadden ze een “sliekkraide” dat was een lange plank met opstaande wanden en een steun waar ze met de knie op konden rusten en met de andere voet gingen ze zich afzetten in het slik, dat was  gemakkelijker dan lopen. Nou als de vissers dan klaar waren, legden ze de kraide een eindje tegen de dijk op. Als de mannen dan weg waren, gingen wij er mee spelen, als er veel wind was, maakten we van een stok en wat oude kranten een mast en zeil. Zo konden we ons uren vermaken.

Delfzijlster koeien markt                                                       

Opa Bos, Jannes zijn Opa, had een brandstof zaak, eierkolen, cokes, maar hoofdzakelijk lange turven, en baggels. Die had hij op een grote hoop in de schuur liggen hij verkocht ze altijd per zak en daar zaten dan 50 baggels in. Jannes en Ik hielpen Opa wel eens met zakken vullen, dat deden we dan s'morgens vroeg voor schooltijd en kregen dan ieder 2 cent. Op een donderdag morgen hadden we Opa weer geholpen en liepen in het dorp. Het was nog te vroeg voor school toen Jan Bosker en Jakob Vos van Oterdummer warven, aan kwamen fietsen op weg naar  de ambachtschool in Appingedam. Gaan jullie mee naar Delfzijl, daar is kermis en koeien markt, wij zetten jullie dan in Farmsum af en kun je verder lopen, wij moeten nog naar school. Nou dat leek ons wel wat, maar onze Moekes zullen het wel niet goedvinden, zeiden we en de school dan? Ik ga mee zei Jannes, nou toen wilde Ik niet achter blijven en wij gingen voor bij de jongens op de stang zitten en zo brachten ze ons naar Farmsum, waar ze ons bij het Borgshof afzetten. Om 4 uur moeten jullie hier weer staan, dan kun je weer met ons terug naar huis, zeiden Jan en Jakob. Na een kwartier lopen, waren we op de kermis, nou daar was nog niet veel te doen het was nog te vroeg. Dus wij gingen door de straten, naar de koeien markt, daar was het gezellig druk. Kramen met standwerkers, er stond ook een man met een hakblok, waar repen kantkoek op lagen die kon je met een klapbijl, een lange steel met op het eind een scharnierende scherpe dik mes, in repen kon hakken. Dat kostte een dubbeltje, maar wij hadden ieder maar 2 cent bij ons en we hadden wel een beetje honger. De eerste hakkers konden hun portie koek zelf wel op, maar toen kwamen er een paar oudere mannen en die zeiden tegen ons, hier  jongens, jullie lusten wel koek, wij drinken liever een borreltje, nou wij maar lekker smikkelen en zo slenterden we weer terug naar de kermis, waar intussen de draaimolen ook was geopend. Dus wij een rondje draaien en toen waren onze 2 centen op en wij platzak. We hadden nog een beetje geluk, we kwamen onze buurman tegen, lange Herman Ede. Wat nou , zei hij, niet naar school? Wij vertelden hem hoe we hier waren gekomen en hij nam het nogal gemoedelijk op, het wordt vanavond wel een gezellige thuiskomst voor jullie, maar hier heb je ieder 2 cent van mij. Nou toen voelden we ons weer rijk. 1 cent voor touwtje trekken en 1 cent voor een spekkie. Van al dat geloop hadden we nu genoeg, het was ondertussen 3 uur geworden en we gingen weer terug naar het punt, waar we hadden afgesproken. Na een poosje kwamen de jongens er al aan en we gingen weer voorop de stang en tegen 4 uur waren we weer in Oterdum. Daar stonden al een paar vriendjes van ons te wachten, om te zien, hoe of onze Moekes ons ontvingen, maar dat werd allemaal in huis afgehandeld. Jannes en Ik  mochten een week lang na schooltijd, niet buiten spelen en van de Meester op school, moesten we 200 keer opschrijven: Ik mag niet zomaar weglopen. Maar wij hadden de Delfzijlster mark meegemaakt.   

Sint –Maarten (kip—kap—kogel).                                            

Een paar dagen voor 11 nov. gingen we dan met een groepje jongens bij de boeren langs om een paar rooie voederbieten uit te zoeken. We mochten ieder 2 uitzoeken en namen de bieten dan mee naar huis, om er daar wat moois van te maken. We kregen een stomp mes en een ronde lepel van onze Moekes. Het was de kunst om de biet zo dun mogelijk te snijden en schrappen, om er dan van allerlei figuurtjes in te snijden. Als we dan, na wat mislukkingen, de biet klaar hadden, gingen we op zoek naar een stevige mousstommel,waar de lampion op bevestigd werd. Het was altijd een gezellig geharrewar met zo'n groepje kinderen bij elkaar.                      

Op Sint Maarten, na schooltijd, gingen we er met een groep jongens en meisjes op af, ieder had een tas of een oude kussensloop bij zich. Eerst buiten het dorp de boerderijen bij langs, daar kregen we meestal appels of peren, maar soms ook een paar centen. Als het donker werd waren we weer in het dorp terug en gingen dan bij alle huizen langs. Ik vond het altijd een prachtig gezicht, die mooi versierde bieten. En als we dan het laatste huis hadden gehad, gingen we naar ons eigen huis, om de buit te tellen er waren soms wel eens 6 losse centen bij, wat waren we dan weer rijk. De bieten op de mousstommel lieten we nog een paar dagen in de tuin staan.

We hadden 2 bakkerijen bij ons in het dorp. Bakker Vos verkocht alleen aan huis, maar Bakker van Houten had er ook een kruideniers winkel bij. Hij had een grote hondenkar waar drie grote honden voor liepen te trekken. Op woensdag en zaterdag middag, stouwde hij de kar vol met brood en boodschappen en zo naar Oterdummer-Warven. Om beurten mochten dan 2 jongens met hem mee om hem te helpen het spul rond te brengen. We gingen dan boven op de kar zitten en de bakker fietste er naast. De honden waren al zo getraind, ze wisten precies waar ze moesten stoppen. Wij brachten dan de boodschappen en brood naar de mensen. Ik vond dat altijd mooi werk en als dan de kar leeg was en wij weer in het dorp waren, kregen we ieder een dikke krenten bol.                             

Het Oterdummer diep zorgde voor de afwatering uit de polder waar de boeren hun land hadden. Voor het stoomgemaal langs over het water, lag een dikke balk met een rooster er onder om de rommel tegen te houden. Daar zaten we vaak te vissen met een eigen gemaakte hengel van een stokje met een draadje en een wormpje er aan. Zwemmen gingen we nooit in het diep, met het kroos en al het andere rommel vonden we dat maar een vieze boel. Achter de dijk vonden we het veel ruimer en schoner. Soms kwamen er een paar mannen met een paar lange netten (trimkes werden ze genoemd). Die werden van de ene kant van het diep naar de andere kant gespannen, zo'n 50 meter uit elkaar en dan werd er met een stok in het water geplonst. De vissen zwommen dan vast in de netten, maar het mocht niet van de politie, er stond dan ook altijd een mannetje op de uitkijk.

De dorsmachine draaide van september tot april, dan ging hij alle boeren om de beurt langs om te dorsen, ieder boer kreeg hem dan 3 of 4 dagen in de schuur. Dan zei Pa tegen mij, morgen gaan we paardebonen dorsen. Nou dan wist Ik wel genoeg, dat waren van die kleine boontjes, (nu heten ze mollebonen), als je ze boven op de kachel legde werden ze lekker knapperig. De volgende dag op school zei Ik tegen mijn vriendjes of ze s'middags meegingen naar de dorsmachine, nou dat wilden ze wel. Je kon er ook zo heerlijk ravotten in die boerenschuur, verstoppertje, of  boven van de stropakken afspringen in het kaf. Opzij, naast de dorskast lag een heel groot zeil, daar werd het kaf opgeschud en als die vol was, ging Fokko, de kafdrager, de vier hoeken van het zeil bij elkaar knuppen en met een handige zwaai had hij hem zo op zijn rug. In onze ogen was Fokko een reuze sterke kerel. Hij moest de zakken ook dicht maken waar het koren in liep en dan wegen op een bascule. Als de laatste schoven van een koren bult vrij kwamen stonden wij er vlak bij, want dan kwamen er veel muizen te voorschijn. We probeerden die te vangen, maar de honden op de boerderij waren veel vlugger dan wij. Als dan de laatste dorsdag op de boerderij was aangebroken, ging de machine verhuizen naar een andere boer. De stoomketel werd afgekoppeld en leeggeblazen. Wij jongens gingen dan in de afgeblazen stoom staan. We hadden niet in de gaten dat we na afloop kletsnat waren, maar dat droogde wel weer op. Wij met onze broekzakken vol paardenbonen naar huis toe, maar eerst nog even bij het stoomgemaal langs om onze kleren te drogen.

Onze dorps types en hun gewoontes                               

Appie Toxopeus was van onze leeftijd, hij zat bij mij in de klas en was verstandelijk gehandicapt. Hij kon uren door het dorp achter een veertje van een kip of vogeltje aanlopen, die hij steeds weer met zijn mond omhoog blies.                               

Dan was er Herman Looier, een man van 35 of 40 jaar, was boeren arbeider, maar wilde alleen voor een nieuw papiertje van 10 gulden werken, oud geld nam hij niet aan. Hij woonde alleen in een kamertje en zaterdag en zondag liep hij het dorp heen en weer, dan had hij  zwarte glimmende beenkappen om en gele klompen aan, een groene jas en zwarte broek zwarte pet met glimmende klep. Hij liep met een kaarsrechte rug en praatte met niemand.                                    

Lange Herman Ede was 2 meter en 5 cm lang, een goeie lobbes van een man, stond voor iedereen klaar die hulp nodig had.                                                                                             

Bonno en Hilje (Ede) broer en zuster, woonden in een huisje samen aan de dorpsweg. Ze hadden een tuin doch konden hem zelf niet meer bewerken, dat deden wij jongens voor hun en kregen daar een paar centen voor. Vrouw Rozeveld ging altijd met Pasen en Oud en Nieuw met de stoetkórf rond, ze had een juk op de schouders, waar twee korven aan hingen, met twee mooi rood geblokte doeken er over heen. Zo ging ze de klanten bij langs.                                   

De smederij.                                                                         

Tegenover ons huis stond een smederij. Smid Olthof woonde daar met zijn gezin. Het was een drukke werkplaats, hij moest de landbouw machines van alle boeren onder houden. En al die werkpaarden moesten om de zoveel tijd nieuwe hoefijzers hebben. Hij had er ook een knechtje bij, Simon, die was 18 jaar en moest nog veel leren. Olthof had nog geen elektrisch gereed schap, een boormachine met een groot hand wiel, de smid zijn vuur werd aangejaagd door een trap blaasbalg, een grote zand slijpsteen, waar de ploeg ijzers op werden geslepen, ook met handkracht. Ik ging ook vaak even kijken en dan zei hij, je komt net op tijd om de boormachine te draaien of de blaas balg te trappen, Ik vond alles even interessant. Toen is mijn liefde en belangstelling gegroeid voor het metaal vak. Als er eens een nieuwe stalen band om een wiel van een boeren wagen moest worden gemaakt, mocht Ik ook helpen. Met een ijzeren wieltje ging hij over het houten wagenwiel, als dat 16 keer ging, deed hij dat ook op de rechte ijzeren strip. Dan werd die strip afgekort en rondgewalst onder een drie rollen wals, dan moesten wij met een paar jongens aan een groot wiel draaien, net zo lang tot de beide einden bij elkaar waren. Dan kwamen de einden in het smids vuur te liggen en werden witheet gestookt en op het aambeeld aan elkaar gesmeed. Olthof strooide er een handvol wit zand tussen de einden. Dat was voor het “wellen” en dan zaten ze muurvast aan elkaar. Er was toen nog geen lastechniek. Als de grote hoepel klaar was, moest hij om het houten wagen wiel worden gekrompen. Buiten lag een grote molen steen met een gat in het midden, daar werd het houten wiel opgelegd met de naaf in het gat. Daar de hoepel iets kleiner is gemaakt werd die in het smidsvuur rood heet gestookt en dan gauw naar buiten op het wiel gelegd waar het met hamers om toe werd geslagen en dan naar een koelbak met water om af te koelen. Dan zat de ijzeren band muurvast.

Er kwamen zo één of  twee keer per week boeren knechten met paarden bij de smederij die dan beslagen moesten worden en als ze dan klaar waren, mochten wij wel eens meerijden. Nou boven op zo'n brede Belgische paarden rug zitten was iets geweldigs.                                                   

Bij die 10 boeren in onze omgeving, was er één bij, dat was  zo'n  grienderd, (gierigaard), een echte kniezebieter, hij ging overal op afdingen. Op een dag kwam hij bij smid Olthof om zijn paard te laten beslaan. Alle vier hoefijzers moeten vernieuwd worden en kan het dan ook een beetje goedkoper? De smid bekeek de hoeven van het paard en toen naar de boer. Weet je wel hoeveel hoefnagels er met elkaar in zitten? De boer keek hem zo kwaad aan en zei “mainst doe dat  nboer nait wait, hauveul spiekers of er inzitten, woar kik's mie nou veur aan, zet ze der moar gauw onder.” Nou zei de smid, dan doen we het zo: de eerste nagel kost je een halve cent, de tweede een cent en iedere volgende gaan we met 2 vermenigvuldigen, ga je daar mee akkoord? De boer even nadenken, halve cent en één cent, nou dat wordt een koopje, vooruit maar. Dus toen de smid klaar was met het paard, ging de boer met een tevreden gevoel weer naar de boerderij terug, de rekeningen werden altijd met nieuw jaar betaald. Hij vertelde het hele geval aan zijn vrouw en zoon. Maar zijn zoon, Hendrik, die op de H.B.S. zat, vroeg, Pa hoeveel nagels zitten er in die vier hoeven? 32 stuks. Hendrik ging naar zijn kamer en begon te rekenen, na een poosje kwam hij terug en zei tegen Pa, ga maar gauw naar de smid toe en zeg maar dat je het  gewone tarief wilt betalen, want zo als het er nu bijstaat moet je  5.368.709,12 betalen. De boer heeft nooit weer over afdingen gepraat.                     

Een lange mooie winter in Oterdum

Dat begon meestal in oktober, dan kwam er een liedjes zanger op de fiets naar ons dorp. Achter het café van van Houten was een open ruimte, waar hij dan op een appelsiene kistje ging staan, om zijn liedjes te zingen. Hij had ook boekjes te koop voor een kwartje, daar stonden 20 liedjes in, maar je kon ook een los blaadje krijgen waar 2 liedjes op stonden, die kostte een halve stuiver. Het was bij ons thuis wel een zuinige boel, maar Moeke spaarde altijd een kwartje om een zangboekje te kopen. Er werd dan ook veel gezongen bij ons in de kamer. Dan zaten we met Moeke om een grote ronde potkachel in het schemer donker gezellig te zingen. Tot Pa van de dorsmachine thuis kwam tegen 6 uur en dan met elkaar om tafel, waar Moeke een grote koekenpan met steel, vol gebakken aardappels of andere lekker stamppot met spek op zette.

Eind april dan was het dorsen afgelopen, dan werd de machine op stal gezet en gingen de mannen s'avonds een borrel drinken bij café Lanting en als het nu maar bij én of twee borrels bleef, er waren er altijd een paar bij, die nooit genoeg kregen en onze Pa lustte er ook wel  “boontjesoep” van, dus die jongens hadden er lol aan om Pa dronken te voeren. Het was al 8 uur geweest, Moeke had een pan met eten in de bedstede gestopt om warm te houden voor Pa. Na een poosje zei Moeke tegen mij, ga eens even kijken, wat ze toch allemaal doen en of Pa nog wel kan lopen. Ik liep naar het café en kon een beetje door de gordijnen gluren en zag de mannen wel, ze zaten te zingen en praten en maakten helemaal nog geen aanstalten om naar huis te gaan. Ik deed de deur open en stapte naar binnen, toen Pa mij zag werd hij zo kwaad en vloekte, “wat most doe hier, het Moeke die stuurt, sodemieter op, ik kom wel  ast mie 't oetkomt.” Ik ging jankend weer naar huis en vertelde alles aan Moeke, Dina en de kleintjes waren al naar bed, maar ik wilde bij  Moeke blijven wachten. Tegen tien uur kwamen er een paar mannen en brachten Pa thuis, maar Pa ging eerst op de “tuzie” zitten te huilen, hij had er zo'n spiet van, krokedillentranen, maar Moeke had de komende week wel f2.50 minder in de knip. Ik was er een paar dagen erg verdrietig van, gelukkig kwamen deze gevalletjes niet zo vaak voor.

Er was een mandoline club opgericht, die op woensdag middag altijd oefende in een schoollokaal en dan mochten wij er ook wel eens bijzitten, dat vond Ik zo mooi. Er waren ook een paar mondorgel spelers bij. Als die groep dan op het eind van de winter een uitvoering gaf, was de café zaal bomvol.

We konden de winter maanden natuurlijk niet zwemmen en waren daarom ook niet zo vaak achter de dijk, wel was er in november vaak een Noord Wester storm. Dan werd het zeewater opgejaagd tot aan de top van de dijk. Onze school stond onder aan de dijk, vaak werd het zoute water tegen de school ramen ge zwiept.

De kerk met toren stond ook onder aan de dijk. Als de dominee op zijn preek stoel stond, kon hij net over de boven kant van de dijk kijken en zag toen, bij een zware storm, windkracht 10, dat er een schip in moeilijk heden zat en zei “geachte gemeente, laten we blij zijn, dat we hier zijn, want ginds vergaat een groot schip met man en muis.”

In het dorp konden we ons ook best vermaken. Berend Mulder, de zoon van de timmerman en klusjesman, had een kar van 4 fietswielen gemaakt, waar je met 2 jongens in kon zitten, wij maakten van een ruiter stok een mast en van een oude aardappel zak een zeil en zo gingen we door de dorpsstraat zeilen. Er waren toen haast geen auto's. Dan waren er de voorbereidingen van oud en nieuw jaar, carbid dozen op zoeken en carbid sparen en er werd al rondgekeken, wat we moesten verslepen. Sint-Nikolaas werd niet veel aan gedaan, we kregen wat koekjes en snoepgoed en één of ander prulletje en dan kon het wel weer. Olie bollen werden er wel gebakken.

Oudjaarsdag begon het te sneeuwen, wij gingen kijken of onze sleetjes nog in orde waren. Sommigen moesten een nieuwe ijzeren strip onder de glijders. Dan gingen we naar de garage (werkplaats) van timmerman Mulder. Die had nog wel wat bandijzer, dat hij er eventjes onder spijkerde. Als dan alle sleeën weer klaar waren, gingen we naar de dijk bij het stoomgemaal. Vanaf de bovenkant van de dijk tot beneden was wel een afstand van 15 meter en dan was er nog een verhoging, waar we met een rotgang over heen schoten. We deden wie het eerste beneden was en dan maar weer naar boven sjorren, je werd er lekker moe van en ook een beetje nat, want we kwamen ook wel eens naast de slee terecht en rolden dan gewoon naar beneden. Maar aan de hete pijp van het stoomgemaal, droogden we er onze spullen, zodat onze Moekes niet konden mopperen. Éen van onze groep jongens, Koert Zwiegman, zijn oudere broer had voor hem een knoert van een slee gemaakt, waar je met 4 jongens op kon zitten. Er zat een grote motorfiets zadel midden op en je kon de slee ook nog een beetje sturen. Nou met z'n vieren naar beneden, dat ging lekker, maar dan moest hij weer boven op de dijk gebracht worden, daar hadden ze wel een kwartier voor nodig. Wij met onze kleine sleetjes konden wel 5 ritten maken, tegen één van hun, na een paar ritten zei Koert, Ik pak mijn kleine slee maar weer.

En toen begon het te vriezen. De gangmaker van het dorp, Hendrik Mulder, kwam met het idee om een ijsbaan aan te leggen. We kunnen een stuk groenland van Egbert v.d. Linde krijgen en daar hoeven we alleen maar aan één kant een dijkje van 30 cm hoog om te maken, water er op pompen en we kunnen schaatsen. Mulder kreeg wat mannen en jonge sterke jongens bij elkaar en met schoppen en kruiwagens, was het dijkje in 2 dagen klaar. Water er op, pompen uit een sloot was ook in een dag gebeurd. Het bleef maar doorvriezen en binnen een week hadden we een ijsbaan van 800 bij 400 meter. Er stond ook nog een oud schapenhok bij, die werd omgetoverd tot kantine, waar je anijsmelk en chocolade melk kon krijgen voor 2 cent een grote kop. Toen werd er op school een schaatswedstrijd voor alle klassen  gehouden op een woensdag middag. Ik zat toen in de vierde klas en kon al aardig wat op de schaatsen weg komen, maar kwam  toch niet verder dan de vierde prijs, Ik vond het een hele prestatie. We hadden met elkaar een hele gezellige ijs middag en na afloop gingen we naar Café van Houten, waar we allemaal chocolade melk met koek kregen.                                                             

Op een zaterdag middag was er een schaatswedstrijd voor mannen tot  45 jaar. Nou daar was geweldig veel belangstelling voor, het was toen nog alles korte baan van 160 meter. De avond er voor had Pa een paar schaatsen gewonnen bij een verloting. Ze waren eigenlijk voor mij bedoeld, maar Pa zei, Ik ben nog maar 44 jaar en Ik ga ook met de wedstrijd mee doen. Er hadden zich 30 mannen en oudere jongens gemeld. Ze gingen wel per leeftijd loten, Pa kwam uit tegen Egbert v.d. Linde, maar toen die beiden aan de start kwamen, bleek dat v.d. Linde niet kon schaatsen en gewoon op klompen stond. Omdat de ijsbaan op zijn land was,werd er een beetje door de vingers gekeken. Onze Pa had eigenlijk ook veel te kleine schaatsen onder en zei tegen de starter, we gaan allebeide op klompen hard lopen op het ijs. Nou dat was een sensatie voor de toeschouwers. De start was goed, ze gleden eerst alle kanten op en halverwege de baan, vlogen de klompen al over het ijs en op blote ozevórrels kwamen ze gelijk over de eindstreep. Toen hadden we fotos moeten kunnen nemen. Ook deze schaats middag was een waar succes. Het bleef de hele maand januari vriezen, soms een klein sneeuwbuitje, het was een echte winter en wij konden volop genieten. Schaatsen, sleetje rijden van de dijk en soms buiten de dijk, waar ijsschotsen dreven waar je zo lekker over heen kon lopen er werden daar vele natte voeten op gelopen.             

Pa was in de winter altijd op de dorsmachine maar er waren ook veel mannen werkloos, dan kregen ze steun van de sociale dienst en moesten op de fiets naar Delfzijl, om te stempelen iedere dag maar weer. Anders kregen ze geen geld en de wegen waren soms spekglad. Dan deden ze ijskrappen onder de  schoenen of laarzen, dat was een ijzeren strip waar 3 stalen pinnetjes onder zaten en gingen er zo lopend op af. Onze Pa ging s'morgens om 6 uur de deur uit, pikke donker, hij had een carbid lantaarn aan het stuur voor verlichting. Die lantaarn moest s'avonds  altijd van de fiets om schoongemaakt te worden, het oude verbrande carbid er uit en dan nieuwe stukken er in, schoon water en dan even proberen of hij het weer deed, want s'morgens moest Pa zo weer weg kunnen rijden. Dat karweitje moest Ik altijd doen en Ik vond het ook fijn om dat voor mijn Pa te doen ,dan kon hij direct gaan warm eten als hij thuis was.

Tussen Oterdum en Oterdummer-Warven lag al het bouw en weiland van de boeren, wij jongens noemden het de Ooster-en de Westerpolder, er liepen veel sloten en vaarten tussen de landen door en daar kon je met deze lange winter lekker op schaatsen en rond dwalen. Op een zondag gingen wij met de grote jongens, 16 tot 20 jarigen “de polder” in. Ze gingen kaaibakjen doen en wij mochten ook spelen. Iedere jongen had een keisteen en daar moesten we om beurten mee gooien en proberen de hoofdsteen te raken. Onderweg kwamen we bonk ijs tegen, dat waren lichte plekken op het ijs, en die werden dan met een stok met een spijker er in, doorgestoken, een lucifer er bij en er kwam een vlammetje uit, dus er zat gas onder. Soms was het bermgras van de sloot zo droog en dor, dan werd dat in brand gestoken. Waaltje scheren werd dat genoemd. En wij maar verder zweven. Wij gingen dan tot een huisje dat daar eenzaam in de polder stond, Fibo en Katrien met hun  dochtertje, die waren altijd blij als er iemand even langs kwam. Wij waren dan met 7 of 8 jongens, maar Katrien maakte een ketel met chocolade klaar, dat was haar nooit te veel. Als we daar dan een poosje hadden gezeten en lekker gesmikkeld, gingen we langs een andere weg weer terug naar het dorp, waar we tegen het donker weer aankwamen. We hadden weer een geweldige winter dag beleefd.

Een vorstperiode van 7 weken begint op de duur te vervelen. We waren dan ook blij dat de dooi intrad. Toen al het ijs en sneeuw dan ook weer weg was, konden we weer onze gewone bezig heden doen. We hadden een voetbal club opgericht en we gingen tussen de dijken oefenen, na een paar weken, voelden wij ons sterk genoeg om een club uit Heveskes uit te dagen. Mijn Broer Albert (hij werkte in Noord- Holland bij een vee-houderij) was een paar dagen bij ons thuis. Ik zie hem nog door het dorp lopen in zijn voetbal pakje, blauw wit gestreept, nou, dachten de mensen, dat is vast een  goeie, maar wij verloren de wedstrijd met 13–0, hij kreeg geen poot aan de grond. Later hebben we wel een paar wedstrijden gewonnen. Het was toen een mooie sport.
Op een zondag in april gingen wij met Pa en Moeke naar Opoe Blijham, die was jarig. We gingen met de tram (Ol –Grait), die kwam door ons dorp, nou dat was voor ons al een heel feest.  Zusje Annie was toen bijna 3 jaar en kon al heel parmantig door de tram heen en weer lopen, je had er geen kind aan. De tram stopte in alle dorpen. In Winschoten moesten we overstappen in een andere tram naar Ter-Apel, wij waren tegen de middag in Blijham. Na een kwartiertje lopen waren we bij Opoe, daar zaten al meer Ooms en Tantes met hun kroost. Moeke had een heel grote ronde cake gebakken, met hagel slag en jam er tussen. De grote mensen gingen thee drinken en een borreltje, wij gingen met onze  neven en nichten buiten spelen of in de schuur er was ruimte genoeg.  We konden ons best vermaken, zo tussendoor een glaasje ranja en een koekje en de middag was zo weer om. We gingen met de tram van 7 uur weer terug naar Winschoten, toen we over gestapt waren in de tram naar Oterdum, zat daar een groepje meisjes met gitaar en mandoline en die zongen mooie Krontjong- liedjes, Marina een kind uit de Dessa, Casiang- Sipatogiang en vele anderen. Nou dat was net wat voor onze Moeke, die ging natuurlijk ook meezingen en dat ging zo door tot Termunten, want daar woonden de zangers. Dat uurtje in de tram heeft toen een grote indruk op mij gemaakt, wat waren we toen een gelukkig gezelschap
. 

Jannes Oosterhuis kwam op het schoolplein bij mij lopen en zei, Ik krijg er een broertje of zusje bij, heeft mijn Moeke gezegd en daarom heeft ze een dikke buik. Dat bracht mij aan het denken, onze Moeke werd ook steeds dikker, dus toen Ik s'middags thuis kwam en vertelde wat Jannes had gezegd en Ik naar Moekes buik keek vertelde ze mij dat wij er ook een zusje of broertje bij kregen. Nou op 14 Mei 1929 werd dan ons broertje Jan geboren. Moeke lag weer een paar dagen in bed en buurvrouw Oosterhuis hielp een beetje in huis, tot Moeke weer wat kon doen. De eerste paar weken sliep de baby in een grote kartonnen doos en die stond s'nachts bij Pa en Moeke op de bedde plank. Opoe Blijham kwam ook nog een paar weken helpen, want Moeke was nog wel erg slap in de benen.

Toen brak de grote landarbeiders staking uit. De boeren arbeiders uit de omliggende dorpen, kwamen op een groot stuk weiland even buiten Weiwerd bijeen en werden door verschillende mannen van de vakbond toegesproken. Ze vroegen een loonsverhoging van 5 cent per uur en een half uur per dag korter werken. Wie lid was van de vakbond, kreeg een paar gulden steun en wie geen lid was kreeg niets. De organisatiegraad was toen niet groot zodat er veel mensen van de sociale dienst moesten leven. De boeren wilden niet toegeven en namen “onderkruipers” in dienst, die werden onder politie begeleiding naar hun werk gebracht, want er ontstonden veel vecht partijen op het land tussen de stakers en “onderkruipers”. De staking heeft 10 weken geduurd en er is toen veel armoede geleden. Pa kwam met  f7 per week thuis en daar moest ook nog f1 huur af. Gelukkig kon hij later bij een bloemkweker in Delfzijl werk krijgen. Alleen de zomer maanden. Tegen het eind van de zomer, toen alle gewassen op het land klaar waren, kwamen de boeren en vakbond tot een akkoord. 3 cent per uur er bij en 2 uur per week minder werken. In dezelfde stakings periode ben Ik nog een week met vakantie geweest bij Oom Hendrik en Tante Trientje in Finsterwolde. De situatie daar was nog veel grimmiger, hele optochten en demonstraties van woedende arbeiders met schoppen en vorken en zo trokken ze naar het land waar de “onderkruipers” werkten, vaak moest de politie daar ingrijpen. Er is daar nog een man dood geschoten, die eigenlijk helemaal buiten het conflict stond, Eltje Simens. Later werd hij de held van de communisten

Opa Bos had even buiten het dorp een stuk grasland waar zijn paard kon grazen na gedane arbeid. In dat stukje land groeiden vele soorten bloemen. Een buurmeisje van ons speelde vaak met zusje Annie. Op een mooie zonnige dag stapten ze met z'n beiden weg om bloemen te plukken, maar om op het stukje grasland te komen moesten ze over een plank, die over de brede sloot lag. Nou op de heen reis ging het nog, maar toen ze allebei de armen vol bloemen hadden, gingen ze halverwege de plank in de sloot en kopje onder. Gelukkig was de sloot niet diep, maar zat wel vol zwarte blubber. Jantje, het buurmeisje, die nogal groot was, hielp Annie weer boven water en zo kwamen ze weer op de wal. Het was zo'n koddig gezicht, toen ze het dorp in kwamen lopen, allebei zo zwart als de nacht die grote Jantje met aan de hand de kleine Annie, pier en pol. De kleren uit en in een grote tobbe met water.

We waren met een groepje jongens bij de dorsmachine aan het spelen. We klommen boven op een hoge bult stropakken, om daar af te springen in een hoop kaf, daar kwam je dan helemaal onder te zitten. Opeens kreeg Ik een stukje kaf in mijn oog en dat wou er maar niet weer uit. Ik ging naar Pa en die kon het er ook niet uitkrijgen. “Ga maar eerst naar huis, dan bekijken we het van avond wel,” zei hij. Toen Pa s'avonds thuis kwam was het erger geworden, het oog was rood en ontstoken. Direct na het eten pakte Pa zijn fiets en zette mij voorop de stang en zo naar Dokter Botjes in Woldendorp, een uurtje fietsen, er was toen geen telefoon in het dorp. Gelukkig was de dokter thuis en die heeft de angel er weer uitgehaald en toen weer terug naar huis. Het was onder tussen donker geworden en er was haast geen straat verlichting. Pa zijn carbidlamp deed het ook niet en mijn kont deed zo zeer op de stang maar Ik was blij dat mijn oog weer goed was, die fiets tocht vergeet Ik mijn hele leven niet meer.

Wij waren altijd met een groepje jongens bij elkaar en gingen dan allerlei dingen doen, voetballen, slootje springen, zwemmen, waaltje scheren (vuurtje branden bij de sloot kanten) en natuurlijk de dorsmachine opzoeken in de winter maanden. In april was Gerard Mulder 7 jaar geworden en kreeg van zijn ouders een echte jongens fiets, z'n vader was fietsen maker en verkoper, zo dat het ook nog reclame was voor de zaak. Hij was de enige jongen van onze leeftijd, die een fiets had. We hadden allemaal wel eens op een dames fiets gereden, van onze Moeders, dus konden we wel een beetje fietsen. Geradje, zeiden we altijd, omdat hij zo klein was voor z'n leeftijd, maakte er handig voor deel van, dat hij de enige was, in het bezit van een fiets. Woensdag en zaterdag middag ging hij met z'n fiets een eindje buiten het dorp, richting Heveskes, waar wij dan met een groepje jongens aan het spelen waren. En dan begon de handel. Voor 2 cent mocht je tot de boerderij van  Dijksterhuis fietsen, dat was ongeveer 2 km. Voor 1 cent mocht je naar de boerderij van Zuidhof. We konden ook in natura betalen, 2 mooie glazen knikkers, een mooi kleur potlood. Koert Zwiegman had een oud padvinders mes, die mocht helemaal tot Heveskes fietsen. Ik had nog een halve reep chocolade en mocht ook tot Dijksterhuis. Zo struunde Geradje heel wat bij elkaar, die vrije middagen, tot er op eens een eind aan kwam. Jannes moest natuurlijk ook eens proberen, hij had 2 centen van Opa Bos gekregen. Nou op de terug weg reed hij tegen een boom, begon te slingeren en reed pardoes in een sloot die vol zat met kroos. Gelukkig was de sloot niet diep, toen hij weer bij ons groepje aankwam, was hij net een groene kikker. Het achterste spatbord was verbogen en de fiets zat helemaal onder de smurrie en kroos. Wij met elkaar proberen om het weer een beetje toonbaar te maken. Maar Geradje zijn ouders kwamen er toch achter, wat hij allemaal had uit gespookt. Hij mocht in het vervolg alleen maar in de buurt van z’n huis fietsen. Maar toch hadden we een paar fijne middagen gehad.

Meester Dik kwam op een morgen in de school met de mededeling,

volgende week woensdag middag kunnen we naar een film middag in Delfzijl. Daar wordt een film gedraaid, hoe suiker wordt gemaakt van suikerriet. De drie hoogste klassen mogen er heen, dus dat waren de  vierde, vijfde en zesde klas. Nou er was belangstelling genoeg, wel 30 jongens en meisjes, “ieder die mee gaat moet 15 cent betalen”. Toen zag je hier en daar al lange gezichten er waren soms 3 kinderen uit één gezin, dat kan Moeke niet missen. Daar vind Ik wel een oplossing voor, zei meester, jullie gaan allemaal mee, maar het moeilijkste is het vervoer. “Over hoeveel fietsen kunnen we beschikken?” Er waren 12 kinderen met een fiets, we konden wel allemaal fietsen, dus het draaide er op uit dat we het dorp in gingen om te vragen of we een fiets konden lenen. Nou Hendrik Mulder gaf direct al drie stuks, na een paar dagen hadden we het aantal bij elkaar en meester had de centen ook  bij elkaar gekregen. Dus op woensdag middag om 1 uur gingen we starten, de grootste jongens en meisjes hadden ieder één achter op de fiets. Meester reed voor de groep en juffrouw erachter, een paar kinderen vroegen aan meester of ze wel op klompen mee mochten want ze hadden geen schoenen. “Geen bezwaar, als je maar kunt fietsen.”

Na drie uur kwamen we bij de bioscoop aan waar al heel wat kinderen stonden en werden joelend begroet. “Ha daar zijn de boeren Oters ook op klompen”, maar we trokken ons er niets van aan, de fietsen werden achter de bioscoop gezet, de klompen uit en zo gingen we de zaal in. Niemand van ons was ooit in een bioscoop geweest, we kwamen vooraan in de zaal te zitten. Het licht ging uit en de film begon. Eerst lieten ze zien hoe de rijst plantjes werden gepoot, groeien en oogsten, Ik vond het heel interessant dat leven en werken daar in Indië. Op een zeker moment kwam er een  tweewielige wagen met 2 karbouwen er voor in beeld en die reed recht op ons in zo de zaal in, zo leek het tenminste, de voorste rijen riepen, “bukken en weg wezen”, zo echt was het voor ons als ‘’boertjes van buten’’, en de Delfzijlsters maar lachen. Toch hebben we allen een fijne middag gehad en genoten, de klompen en fietsen weer opgezocht en zo gingen we weer op ons Dorpje af. We konden de thuisblijvers vertellen, hoe de suiker werd gemaakt.

 Een keer per week kwam er iemand met een tas vol kranten. Hennie  Stam uit Delfzijl, had dan zo'n 60 tijdsrchiften “Het Noorden in Woord en  Beeld” en bezorgde die bij de mensen in Oterdum en ook buiten het dorp. Wij waren met een groepje jongens bij het stoomgemaal aan het zwemmen, buiten de dijk, het was zaterdag middag. Opeens stond Stam bij ons met een krant in de hand, wie wil deze krant even naar de familie Wildeboer brengen, het is een klein eindje buiten het dorp. Geen van de jongens had er zin in. Nou Ik wil het wel even voor je doen, zei Ik, als er wat te verdienen valt. Als je het iedere zaterdag wilt doen, mag je het geld houden, wat de krant kost. Nou wist Ik dat de krant 12 en halve cent kostte, dus de koop ging door. Het was 10 minuten lopen. Ik ging naar de achter deur en daar stond vrouw Wildeboer mij al op te wachten en zei, zo heeft die vent een ander gestuurd, want Ik wil die vent niet weer bij ons op, thaim hebben, die grootbek, hier heb jij je centen en bedankt voor het brengen. Nu wist Ik waarom Stam daar niet weer heen durfde. Toen Ik Moeke de centen liet zien en haar vertelde hoe Ik ze had verdient, zei ze, jij mag er een stuiver van houden en die andere zeven en een halve cent krijg Ik voor het huishouden. Zodoende kon Ik een spaar potje maken, waar Ik heel blij mee was.       

 Na de geboorte van ons broertje Jan, kreeg Moeke steeds vaker last van haar nier. Als wij dan van school kwamen, Diena en Ik, zat Moeke in een leunstoel of op bed en zei tegen mij, “ga Pa maar even halen, die moet de Dokter waarschuwen, Ik kan de pijn niet meer verdragen.” Nou Ik op mijn klompen op een drafje naar Oterdummer-Warven, een half uurtje lopen, Dan ging Ik weer met Pa terug op de fiets tot Alkema's brug en dan moest Pa nog een uurtje fietsen naar Woldendorp, waar de Dokter woonde en als die dan thuis was, kwam hij dezelfde avond nog langs om Moeke wat pijnstillers te geven, dan ging het weer een paar dagen of een week goed.

Toen kwam er een plaats vervanger voor onze eigen huisdokter en die zei direct tegen Pa, zo kan het niet langer en stuurde Moeke naar het ziekenhuis. Na een onderzoek, was de uitslag, de nier moest er uit. Na 14 dagen gewacht te hebben, werd Moeke dan geopereerd en moest nog een week in het zieken huis blijven. In die tijd kwam Opoe-Blijham bij ons om te helpen. Toen zaterdag Hennie Stam met de kranten kwam, die Ik moest weg brengen en hij zei, dat Ik het geld mocht houden, zei Opoe direct tegen mij, die twaalf en een halve cent geef je maar aan mij, dat komt in het huis houd potje. Alle kinderen die wat verdienen, moeten meehelpen. Ik zei tegen Opoe, dat Moeke gezegd had, dat Ik er 5 cent van mocht houden. Moeke ligt in het zieken huis, nu ben ik de baas, zei Opoe. Toen Pa die avond thuis kwam, vertelde Ik het hele verhaal. De volgende dag, het was zondag riep Opoe mij bij zich en zei, “nou je hebt het aan je Pa te danken, die stuiver is voor jou.”                                                                                                                    

Toen kwam er een periode dat Ik steeds hoofdpijn had, soms wel twee keer per week. Daar moet u wat aan doen, vrouw Stubbe, zei meester Dik, hij heeft er veel last van in de klas. Nou op een dag in de week ging Moeke met mij in de tram naar Woldendorp, naar dokter Botjes, daar kon je toen zomaar heen gaan zonder een afspraak te maken. Soms moest je wachten, doch nooit langer dan een half uur. Dokter keek mij in de keel, bevoelde mijn hals en zei tegen Moeke, Ik zie het al, de hoekmantels of de amandelklieren moeten er uit, dan gaat de hoofdpijn wel weer over. Wij kregen een drankje mee waarvan Ik 2 keer daags een eetlepel vol van moest innemen, dat was voor de verdoving. Als je dan over 2 weken naar het zieken huis gaat, halen ze daar de amandelen er uit, het doet geen pijn, zei de dokter. Ik zal de afspraak wel even regelen. Toen mijn drankje dan op was gingen we eerst met de tram naar  Farmsum bij café de Vries uitstappen en dan verder met  een D.A.M. bus naar Groningen. Bij de Petercampus Singel uitstappen en dan verder lopend naar het ziekenhuis. Onderweg zagen we een winkel met lekkere chocolade wafels, Moeke kocht er 2 van en zei, als je goed oppast en niet te veel huilt, mag je zo'n wafel opeten. Moeke had al wel wat in de gaten. Nou we kwamen eerst in een grote wacht kamer die al vol was  met grote mensen en kleine kinderen. We waren nogal gauw aan de beurt. Er kwam een verpleegster, die ons naar een lange gang bracht waar een stoel stond. Ga daar maar in zitten zei de zuster tegen mij. Moeke mocht bij mij blijven. Toen Ik in de stoel zat werden mijn armen en benen met riemen aan de stoel vast gemaakt. Er kwamen 2 mannen met lange witte jassen aan bij mij staan, de één was een dokter die had een lange tang met ronde uit einden in zijn handen. De andere witjas was een broeder, die ging achter mij staan en hield mijn hoofd stevig vast. Mijn mond werd toen open getrokken er werd nog even gezegd, het doet geen pijn. De amandelen werden gewoon weggeknipt, het bloed spoot tegen de witte jas van de dokter, en Ik kon geen kik zeggen. Wat was dat een grote teleurstelling voor mij in mijn jonge leven. Twee grote mensen die mij verzekerden dat het geen pijn zou doen. Moeke heeft  niet gelogen, die zei, als je niet teveel huilt.            

Nou die lekkere wafel kon Ik de eerste tijd niet eten, maar Moeke had hem wel voor mij bewaard. Later heb Ik de wafel lekker opgesmikkelt.

Het had al een paar keer in de krant gestaan. Op een zondag in mei,  zou een luchtschip de “Graff Zeppelinn” uit Duitsland, een oefenvlucht maken boven Nederland en dan zou Oterdum het eerste dorp zijn waar hij over zou vliegen en dat zou dan vroeg in de morgen zijn. Een luchtschip, die hadden we nog nooit eerder gezien. Op die zondag morgen stonden er om 6 uur al heel wat mensen op de dijk, ze keken allemaal richting Emden, want volgens de krant, zou hij daar vandaan komen. En tegen 7 uur zagen een paar mensen een stipje in de lucht en riepen, hij komt er aan en daar kwam heel statig een heel grote bruine sigaar aan zweven, met een uitsteeksel onder aan zijn buik, waar in je een paar mensen kon zien zitten. Hij vloog pal over de toren van Oterdum. Lange Herman Ede, was altijd een beetje traag, Pa had hem al gewaarschuwd, “Wakker worden, Herman, het luchtschip komt er aan.” Nou eindelijk kwam hij er aanlopen in zijn lange onder broek, zijn boezeroen half over het hoofd getrokken, dus kon hij niks zien. Jannes onze buurjongen, hield Herman bij de hand vast en bracht hem boven op de dijk. Ik hoor hem wel, maar ik  zie nog niks, die verrekte boezeroen zit vast. Opeens strompelde hij over een stuk hout dat op de dijk lag en rolde met z'n hele lange lichaam bij de dijk naar beneden en daardoor sprongen de knopen van z'n boezeroen er af en kwam z'n hoofd tevoorschijn. “Ik zie hem, ik zie het luchtschip”, riep Herman verrukt. Dat was toch zo'n mooie komische voorstelling, de hele groep mensen schaterden van het lachen. Maar Herman zei, Ik heb de “Graff Zeppelin” gezien. Jammer dat deze vertoning  niet op een foto of een film is opgenomen.

 Jannes de branie schopper

Op een herfstige zondag kwamen de beide jongste zussen van Pa bij ons op visite, ze kwamen op de fiets van Blijham. Tante Etje en Tante Kee, met hun beide mannen, Oom Hendrik Nomden en Oom Hendrik Ploeger. Ze namen altijd wel wat lekkers mee, een paar reepjes en die kregen we niet zo vaak. Als dan na het koffie drinken en een paar borreltjes de hele familie op de dijk ging, was dat een belevenis voor de Blijhamsters. Het was toevallig net heel hoog water, de golven kwamen tot half weg de dijk. Jannes was natuurlijk ook van de partij, hij had een fijne neus voor als er wat te halen viel. Toen we daar dan met elkaar op de dijk stonden, liep Jannes ineens naar beneden en ging  zo pardoes de golven in tot aan zijn middel. Om aandacht te trekken, deed hij soms rare dingen. Zo was Jannes nu eenmaal.

Even buiten Oterdum aan de weg naar Oterdummer-Warven stonden een paar huizen met wat weiland er achter, de mensen hadden 2 of 3 koeien en een paar schapen. Ze werden door ons “keuterboertjes” genoemd. Daar woonden ook Freek en Lize Groenhagen met hun zoon en dochter. Freek was ook penning meester van de N. V. V. landarbeiders bond, afdeling Oosterhörn. Hij kwam iedere zaterdag middag bij ons om de contributie op te halen, een zegeltje van 20 cent voor Pa en een van 10 cent voor broer Albert, die allebei lid waren. Toen op een zaterdag in juni, dat hij weer bij ons was, zei hij tegen mij, morgen komt er een groep A.J.C.ers,van de afdeling Delfzijl bij ons om een gezellige dag door te brengen, in de schuur of buiten in de weide. En nu zou ik graag willen, dat er wat jongens en meisjes van het dorp, ook bij ons kwamen. Tegen 11 uur kunnen ze hier zijn en dan lopen jullie maar achter de groep aan naar ons toe. Kun jij nu een paar jongens en meisjes van jouw groepje vrienden warm maken om aan deze gezellige dag mee te doen? Ze willen proberen om hier ook een afdeling op te richten. Nou Ik ging die middag bij verschillende jongens en meisjes langs en vertelde wat de bedoeling was, ze moesten een paar  boterhammen mee nemen, want we gingen echt buiten kamperen. Nou het resultaat was 4 jongens en 3 meisjes. Wij de volgende morgen om 10 uur vooraan in het dorp wachten op de komst van de groep A.J.C.ers. Na een poosje hoorden we al muziek en zang. Voorop liepen 2 jongens en 2 meisjes met een mond orgel en dwars fluiten en er liep een jongen met een grote blauwe vlag met daar in een rode valk, ze hadden allemaal een blauwe bloes en een rode hals doek om. Ik vond het een prachtig gezicht en wat konden ze mooi zingen. Er kwamen ook heel wat grote mensen naar buiten. Wij sloten ons achter de groep aan en zo naar de boerderij van Freek en Lize. Nou we hadden veel bekijks, want zo'n optocht zag je niet vaak in het dorp. We hebben daar op die zondag in de boerderij en op het veld heel prettige uren beleefd, zingen, dansen en dan zelf thee zetten op een primus. Gezamenlijk een brood maaltijd, een klein toneel stukje op voeren, de middag was zo voorbij. Toen ze ons dan ook vroegen of we lid wilden worden van de A.J.C. zeiden we dat we dat wel graag wilden, maar dat we eerst met onze ouders moesten praten. Tegen 5 uur was alles weer netjes opgeruimd en werd de familie Groenhagen uitbundig bedankt voor de gezellige dag. In het dorp namen we afscheid van de groep, die nog een uur moesten lopen naar Delfzijl. Een week later kwam Freek met de boodschap, dat er een paar oudere leden van de A.J.C. uit Delfzijl bij ons in het dorp zouden komen, om een groep op te richten. Wij hadden met onze ouders gepraat en de meesten vonden het goed dat we lid werden, maar er waren ook een paar, die beweerden, “die rooien brengen niet veel soeps”, zodat we met 4 mensen over bleven en dat was niet genoeg om een groep op te richten. Toen werd besloten, dat wij dan maar naar Delfzijl moesten komen om aan de activiteiten deel te nemen. Zo gingen we dan met z'n vieren een hele zomer en winter naar de afdeling Delfzijl van de A.J.C. Er kwam nog een rare onverwachte verandering in deze situatie.

Oterdum voorjaar 1932

Ik was ondertussen 12 jaar en zat op school bij meester Dik in de klas. Meester had al een keer tegen mij gezegd, dat Ik verder moest leren. Hij had een aparte klas in het lokaal, waar een paar jongens en meisjes zaten, die naar de U.L.O. of H.B.S. zouden gaan. Nou Ik zei tegen Pa en Moeke, wat meester had gezegd, om verder te leren. “En wie moet dat betalen, als je van school gaat kun je beter werk opzoeken, dan verdien je tenminste nog wat.” Nou werken, daar dacht Ik helemaal nog niet aan, eerst lekker de zesde klas afmaken. De dorsmachine waar Pa op werkte, begon meestal eind augustus tot maart en dan ging Pa in de zomer maanden naar Delfzijl bij een bloemkweker Sol werken. De jaren 1932-1936 waren slechte jaren, steeds meer mensen werden werkloos en kwamen dan in de “steun” met 7 of 8 gulden in de week. Op een zondag morgen in maart, toen wij kinderen ook in huis waren, vertelden Pa en Moeke ons, dat we gingen verhuizen naar Delfzijl. Pa kon daar de hele zomer werken en dan winters weer op de dorsmachine. De maanden maart en april moest hij dan nog heen en terug fietsen naar Oterdum, maar Pa was al lang blij dat hij werk had, en dan gingen we in mei verhuizen. Mijn zussen, Dina en Annie vonden het wel mooi naar een andere plaats te gaan, maar Ik vond het vreselijk, heb die zondag  veel gehuild en was erg verdrietig. Ik zei tegen Moeke, dan ben Ik al mijn vriendjes kwijt en de gezellige school. Ik kan nooit meer achter de dijk spelen en zwemmen. Moeke probeerde me wat te troosten, dat vind je allemaal weer terug in Delfzijl, daar is ook een dijk en een grote haven met schepen. En vriendjes heb je zo weer en dan mag je zaterdag s'middag's op mijn fiets naar Oterdum om daar te spelen en zwemmen. Je begrijpt toch wel dat Pa werk moet hebben om wat te verdienen. Nou dat begreep Ik dan ook heel goed, de kinderen, die s'middags op school een boterham met “kaantjesvet” aten vergeet Ik nooit.

Dus in mei 1932 kwam er een vracht auto om ons “hutje met mutje” naar Delfzijl te brengen en kwamen we te wonen in een buurt dat “Kroonstad” heette.

----------------------------------------------------------------------------------
Tot zover de periode Oterdum, wilt U het hele boek lezen? Dat kan, het boekje is te bestellen via susannsharmse@hotmail.com.

De kosten zijn bij een oplage van 10 stuks € 27.50 en bij een oplage van 25 stuks €16.50 per boekje.